Verhalend tekenen

Hoe het begon…

Toen ik als kind uit school thuis kwam liep ik direct door naar de werkkamer van mijn vader. Ik ging tegenover hem zitten en vertelde hem wat hij voor mij moest tekenen. De ene dag een prinses, de andere dag een kasteel of een kabouter. Hij tekende op zijn kop zodat ik goed kon zien hoe de tekening vorderde. Ik leerde: je kunt alles tekenen wat je maar wilt en ook nog op zijn kop.

Toen ik een jaar of 8 was ging mijn moeder naar de kunstacademie. Terwijl de oppas ons de fijne kneepjes van pantomime bijbracht schilderde mijn moeder stillevens. Eén opdracht was iets anders. Toen ik die dag thuiskwam stond de keuken vol met kleine gipsblokjes, in alle denkbare kleuren. Ze stonden op de koelkast, de broodtrommel en het hele aanrecht. Ik leerde: voor kunst moet alles wijken.

Ik ken dat er werd getekend, geschilderd, muziek gemaakt, gelezen, voorgedragen. Er werd gespeeld, gekookt, gegeten. Voor de open haard en mijn rug werd dan koud want de cv sloeg af. Er stonden zoveel boeken, planten, vaasjes, borden, beelden, tafels, gedroogde distels, prullaria. Het was als een museum. Als ik mijn ogen sluit zie ik het allemaal voor me. 

Ik voel me dan ook rijk. Van binnen. Ik ontdekte dat schrijven en tekenen een manier was om iets wat in me zat aan die rijkdom naar buiten te brengen. En toen werd het mijn taal. 

Een taal waarvan ik merk dat bijna iedereen die verstaat. Zo simpel. Toch? Het behoeft nauwelijks toelichting, want beelden en verhalen spreken voor zich. 

Elke opdracht, of dat nu een losse illustratie is of een (kinder)boek, vraagt om zijn eigen beeldtaal.

Mijn opdrachtgevers komen van diverse kanten en elke tekenopdracht is uniek. Vaak laat ik me leiden door tekst, dat is wel mijn voornaamste hulpbron. Andere hulpbronnen zijn mijn oog-naar-binnen waar ik alles al zie wat ik wil tekenen en mijn hart. De beelden die ontstaan werk ik uit in inkt, acryl, potlood of digitaal. Werken in of met inkt heeft wel mijn voorkeur omdat het zo veelzijdig is.